Select all categories
{{ channel.title }}

Menu

Alles voor niets

Tekst Bas Steman Gepubliceerd 13 April 2012

Een-en-twintig. Een-ent. Eén.

Zolang dus. Meer niet. Dat is alles. Niets, eigenlijk. Eén tiende sneller op tweehonderd meter, dat is het doel. Dan is het goed.

Teun Mulder rijdt onderin de baan, op het azur, kijkt over zijn rechterschouder en stuurt omhoog voor zijn tweede vijfhonderd meter van de dag. Twee rondjes, of eigenlijk vier halve. Een trainingsafstandje, lang genoeg om de spieren van de ideale snelheid te laten proeven, te kort om ze de vernieling in te rijden. Bovendien de afstand waarmee Teun zich begin jaren negentig voor het eerst in de baan waagde. Van de schaats was hij overgestapt op een tweedehands racefietsje. Hij genoot van het wielrennen, al waren de eerste wegwedstrijden zoals bij de meeste beginnende renners één op één gevechten met de bezemwagen. Het geluk wil dat de Apeldoornse wielervereniging De Adelaar beschikte over een eigen wielerbaan. Weliswaar een grauwe, wat vervallen betonbaan, maar ideaal om kennis te maken met de magie van de steile bochten en het lijnenspel dat aangaf waar je niet of juist wel mocht passeren. Het duurde niet lang of Teun meldde zich op de vaste maandagavond voor zijn allereerste baanwedstrijd; een wedstrijdje ‘vijfhonderd meter staande start’, Teun tegen Coen. Twee Adelaarrenners, de ene een groentje van dertien, de ander ietsje ouder en meer ervaren. Pa en ma Mulder koesteren de enige video-opnamen die er nog van de kleine Teun bestaan. Een schokkerige registratie op Hi-8. De verlopen kleuren verraden de verstreken jaren. De bel speelde voor startschot. Twee jongens hesen zich in gang. Microfonist Hans van Bon schalde vanaf het torentje op het middenterrein: ‘Halve ronde… voordeel… eh, nou, nou… het is praktisch gelijk hoor.’ ‘Hij verwachtte voordeel van Coen’, vertelde pa Mulder glimlachend. De bel. ‘Kom op Teun!’ klonk het van vlakbij de cameramicrofoon: ‘Kom op!’ Waarschijnlijk was het moeder Mulder zelf. Op de achtergrond meldde Van Bon dat Teun Mulder voor lag: ‘Tjongejongejonge, wat gaan we nu beleven?’ Teun won. Kenners herkenden in hem een rassprinter. De liefde voor de baan was geboren.

Teun Mulder
Beeld: Jan Bijl
Een schokkerige registratie op Hi-8. De verlopen kleuren verraden de verstreken jaren. De bel speelde voor startschot.

Teun rijdt inmiddels boven in de baan. Het Omnisportcentrum is zijn tweede huis. Zeker drie keer in de week traint hij hier. Vanaf een bankje op het middenterrein kijk ik toe. Achter me zoemt een rollenbank. Willy Kanis draait zich warm. Tegenover me bestudeert Yvonne Hijgenaar haar trainingschema’s. Bondscoach René Wolff staart strak naar zijn Apple. Zijn zwarte bril heeft KNWU-oranje pootjes. Af en toe draait hij zich om, roept hij: ‘Kom! Kom! Kom!’ Onverstoord stuurt Teun langs de boarding. De hoogte is hem vertrouwd. Voor zijn ouders kwamen de successen bij de jeugd als een verrassing. Halverwege de jaren negentig waren ze nietsvermoedend afgereisd naar het NK in Alkmaar. ‘We gaan vandaag voor de medailles’, had de clubcoach gezegd. Teuns ouders hadden geen idee dat de coach doelde op hun zoon. Ze vonden het leuk dat hij wat deed, dat hij zijn sport leuk vond en dat hij een leuke jongen was. Daar ging het om. Je vindt leuk wat je kind leuk vindt, het is niet de prestatie die het leuk maakt. Aan het eind van zijn eerste kampioenschap stond Teun met twee kampioenstruien om de schouders met de bloemen te zwaaien. Pa en ma Mulder hadden elkaar vervuld van liefde, trots en verbazing aangekeken. Mooier dan dit zal het wel nooit worden, dachten ze, dit maken we nooit meer mee.

Teun kijkt omlaag, een paar meter onder hem dendert collega-renner Hugo (Kapitein) Haak af op de streep. Wolff klokt en brabbelt iets tegen de mecanicien. Teun blijft hoog, zet aan en zakt door zijn armen. De regenboogmouwtjes van het Koga-shirt steken uit onder het oranje bondstenue. In zijn kast liggen regenboogtruien van de keirin en de kilometer. Het enige dat ontbreekt is de Olympische medaille. Een gebroken houten plankje op het aanrecht in Zuuk verraadt zijn focus. Een soort wishboard waarop met stift ‘Olympische medaille’ is geschreven. Terwijl Teun zijn wens uitsprak sloeg hij er met een karateslag dwars doorheen. Een soort Einstein-formule die door sporters keer op keer bewezen wordt: focus x kracht = doel. Hij denkt en droomt zich naar 7 augustus 2012. De dag van één van de spectaculairste onderdelen van de baansport, de keirin. Hij droomt van zichzelf op het podium, iedere training stelt hij zich voor hoe het voelt wanneer hij het laatste rechte stuk opdraait en wint. De laatste jaren dringt Teun steevast door tot de WK-finales, vorig jaar won hij brons. De keirin heeft ook iets van een loterij. Letterlijk. Het lot bepaalt je positie achter de derny. Wanneer dit brommertje na vijf ronden de baan verlaat volgen er drie ronden van hels gedrang, waarin een favoriet zomaar ingesloten kan raken of onderuit kan gaan. Staat de wind goed, dan kan het zomaar zijn dat Teun met een medaille naar huis gaat. Alle mogelijkheden passeren zijn geest, alle concurrenten. Hoe is hun aanzet, zijn ze snel op de eerste meters of komen ze later op gang? Wat is hun meest gevaarlijke tactiek? Welke tak van de sprintsport ook, het blijft een fascinerende combinatie van pure snelheid, leepheid, behendigheid en – zeker op de keirin – een onberekenbare factor.

Een soort Einsteinformule die door sporters keer op keer bewezen wordt : focus x kracht = doel

Langs de balustrade voert Teun het tempo op, plots plongeert hij naar beneden. Zijn gezicht staat strak en verbeten. Ik loop naar de coach achter de laptop. Wolff volgt Teun met zijn ogen. De stopwatch loopt. ‘Kom op, doortrekken!’ roept Wolff wanneer Teun langs zoeft. De sprintcoach weet wat het is om een regenboogtrui of Olympisch goud te winnen. Mijn blik valt op de Japanse karakters op de onderarmen van de trainer. ’t Kunnen net zo goed Chinese zijn. ‘Teun zet nu alles op de keirin, maar hij zou eigenlijk de sprint ook moeten rijden’, zegt Wollf. ‘Hij kiest voor veiligheid, de veiligheid van de keirin. Dat kent hij, daar is hij goed in. Het is altijd moeilijk om iets nieuws te proberen, dat zou hij mooi kunnen doen op de sprint.’ Mijn wenkbrauwen kruipen omhoog. ‘Hij is de enige baanrenner met een nominatie en per land mag er op de Spelen maar één renner starten. Dat geldt voor de Engelsen, de Duitsers, voor iedereen. De helft van zijn concurrenten is hij al kwijt. Wanneer hij een dijk van een kwalificatie zou rijden zit hij al bij de laatste acht op de sprint. Dan kan er zomaar van alles gebeuren.’ De sprint? Twee jaar geleden in Melbourne werd Teun derde op dat onderdeel bij een wereldbekerwedstrijd. Waarom ook niet? We moeten zien,’ zegt Wolff. ‘Wordt vervolgd.’

Zodra Teun passeert verleggen mijn ogen de scherpte naar de oranje schim in de baan. Nergens verliest hij vaart. In minder dan een halve minuut is Teun binnen. Onmiddellijk waaiert hij omhoog, de bochten zuigen de vaart uit zijn wielen. Het beentempo vertraagt, de hartslag volgt later. Teun hapt naar adem en bolt uit.

Teun Mulder
Beeld: Jan Bijl

Iedere keer ben ik verrast door de snelheid en souplesse die de baanrenners uit hun fietsen en lijven weten te wringen. Het oogt zo makkelijk, alsof iedere cel in hun lichaam voor niets anders gemaakt is dan keihard fietsen in schoonheid. Dat blijkt ook wel, zodra een baansprinter van de fiets stapt is hij een onhandig Hulkje. Teun zet zijn fiets tegen het plexiglas, klik-klakt op zijn witte raceschoenen naar de laptop. Mijn gedachten springen naar mijn reis door de wouden van Kalimantan. Het moment dat onze gids zijn arm strekte en zijn vingers spreidde om aan te geven dat ik heel stil moest blijven staan. Vlak voor ons klom een orang oetan-mannetje langs een boomstam omlaag, zette zijn voeten op de aarde. Het elastische, atletische dier dat jaloersmakend over de boomkruinen kon dansen, sloeg op de grond een pleefiguur. Waggelend op enorm gespierde pootjes zocht het dier zijn weg. Het had iets gênants, iets ongemakkelijks om het prachtige dier te zien worstelen. Je oma wil je ook niet naakt zien. Hetzelfde met baansprinters. Ik kan veel verdragen, maar een baansprinter zien lopen, nee. Op de fiets zijn ze als water, een geoliede machine, gegoten, een goddelijk ballet van het bevroren bovenlijf, machtig malende benen en ziekmakende snelheid. Eigenlijk hebben zowel Teun als de orang oetan-koning op de lopende aarde niets te zoeken. Hoe krachtig ook hun lijven; zonder boom, zonder fiets, ontbreekt de magie. Het WNF en de KNWU moeten de handen maar ineen slaan. Geef de aap voor altijd bomen, houd de renner in de baan! ‘Zes negen, zeven nul, zeven nul,’ klink het in codetaal met een Duits accent. Het zijn de halve-rondetijden. Teun knikt en gespt zijn helm los. Ik wend mijn ogen af van de over de knieschijf lobbende dijbeenspieren en loop luisterend naar het zachte ruisen van zijn ademhaling met Teun mee naar het bankje. In gedachten hoor ik moeder Mulder: ‘Je moet dankbaar zijn, want het is heel bijzonder dat je geboren wordt met een lichaam dat zo kan sporten.’

‘Zes negen, zeven nul, zeven nul’, klink het in code taal met een Duits accent. Het zijn de halve-ronde tijden.

Lurkend aan een bidon observeert Teun de rondjes van zijn teammaatjes. Soms staart hij in het niets voor zich uit. Misschien dwaalt hij wel af naar het WK dat vorig jaar hier werd verreden, waar het stadion ontplofte toen hij aan zijn kilometertijdrit begon. Als uittredend wereldkampioen en wereldrecordhouder op de zeeniveau (1.00, 341) droeg hij het juk van de vaderlandse verwachtingen. Mijn hemel, hoe pers je een kilometer in een minuut? Tweehonderd meter voor de streep lag hij nog op regenboogkoers. De laatste bocht was net te lang, net te stroef. Krachtpatser Stefan Nimke kaapte het goud voor zijn neus weg. Het verschil was niets, een fractie van een seconde. De trage thuisbaan bleek in het nadeel van Teun. Laagvlieger Mulder moet het hebben van zijn snelheid, in Apeldoorn ruikwam de op kracht rijdende Nimke de laatste ronde net iets beter door. Wankelend steeg Teun daar af van zijn fiets, ondersteund bereikte hij de box van de Nederlandse ploeg. Daar stortte hij ter aarde. Het lichaam zou zowat onder de geest bezwijken. Longen schreeuwden om zuurstof, zijn maag keerde zich om boven een klikobak. Mijn behoefte om me in te leven begon zorgwekkende vormen aan te nemen. Een paar dagen na het WK optreden van Teun besloot ik zelf een ‘Teuntje’ te wagen. Ik koos een kaarsrechte weg langs een sloot. Voor de moraal reed ik een beetje met wind mee en mijn staande start was ook niet helemaal uit stilstand. Het voordeel van de renner die tegelijk jury is. Zodra de stopwatch op nul stond zette ik hard aan. Harder dan drieënvijftig ging het niet. Omroep Max-tempo. Na tweehonderd meter stonden mijn benen al in de hens, weer tweehonderd meter verder was alles onder de gordel totaal afgefikt. De minuut verstreek al voordat ik de achthonderd meter gepasseerd was. Mijn benen liepen vast in kauwgom dat jarenlang onder een bureaustoel had gezeten. De uitslag was even schokkend als ontnuchterend, maar ik durf nu wel te bekennen dat ik op het record van Teun meer dan achttien seconden heb toegegeven.

Collega-sprinter Roy van den Berg ploft op het bankje naast Teun en ontbloot zijn bovenlijf. Zijn met inkt beschilderde torso deint nog na op de zojuist verreden tempo’s. Een van de snelste schilderijen van ons land, opgetrokken uit draken en angstaanjagende gezichten in uiteenlopende kleuren. Ik doop hem Inkjet. ‘Denk je dat ik dit voor mijn lol doe?’ zegt Roy:‘Nee, niet alleen. Dat kan niet. Je kunt niet elke dag je lichaam zo uitwonen voor de lol. Je wilt iets, je hebt een doel dat je wilt bereiken. Voor je lol train je jezelf niet zo naar de kloten.’ ‘En jij, Teun?’ Hij zwijgt, zegt dan aarzelend: ‘Toch wel voor het succes. Ik houd van winnen, van het succes. Daar doe ik het voor.’ ‘Je bent al wereldtop, maar op de Spelen moet het nóg beter. Kan dat?’ ‘Het moet, iedereen wordt beter, iedereen traint harder, raakt meer gemotiveerd. Een paar jaar geleden kon je met een tweehonderd meter tijd van 10,3 redelijk meekomen op de sprint en de keirin. Het niveau groeit. Ik zit nu op 10,1 en dat moet 10,0 worden voor Londen. Dat is het doel. Een tiende eraf.’ ‘Een tiende? Dat is helemaal…’‘Niks nee. Twee meter op een ronde, en daar moet je alles voor doen.’ ‘Maar hoe?’ ‘Harder trainen, nog meer kilo’s trappen.’ ‘Hardfietsen is een rekensom?’ ‘Ja. Kilo’s gedeeld door de snelheid waarmee je die kilo’s kan wegtrappen, dat bepaalt voor een groot deel hoe snel je start, of welke versnelling je kunt rijden. Vandaar het krachthonk.’

Beeld: Jan Bijl

Domweg gewichten leuren? Vanuit een vergeten Oostblok doemt Michael Hübner op. Wie kent hem nog? In zijn vuilniszak-grijze snelle pak terroriseerde de Oost-Duitser eind jaren tachtig en begin negentig de wielerbanen. Opvallend was zijn fiets. Van staal natuurlijk. Maar het Italiaanse staal uit die tijd was amper opgewassen tegen de Oost-Duitse spierbundels. Metalen platen bij de bracket en balhoofdbuis moesten het frame verstevigen. Der Dicke noemde ze hem, vanwege zijn indrukwekkende spiertorso, dijen met een hoofdletter D, drooggelegde kuiten. Geen kipfileetjes van een klimmer, nee, het waren côte de boeufs waar Blonde d’Aquitaine stieren jaloers op zouden zijn. Helaas hangt over veel Oostblokprestaties de grauwsluier van het beroemde en beruchte Oost-Duitse fokprogramma. Nee, geen zero, zero, zero, zero, de hormonen waren vanaf de maan met het blote oog te zien. Whatever, Michael Hübner is nooit betrapt, hij is en blijft het archetype baansprinter. Het toonbeeld van de rekensom: kilo’s gedeeld door snelheid. Tegenwoordig trainen alle sprinters zo. De ene dag beulen in het krachthonk, de andere tempo’s op de baan.

‘Nou ja, je moet ook trainen op je techniek’, vervolgt Teun. ‘We rijden dik boven de zeventig per uur. Dan is het lastig om onderin te blijven en op de zwarte lijn te rijden. Iedere keer dat je een paar centimeter hoger zit verlies je honderdsten van een seconde. Op het rechte stuk stuur ik even naar rood, dan kan ik de bocht een beetje aansnijden, terug naar zwart. Op een kilometer kan dat het verschil tussen goud of zilver zijn.’

_MG_1687
Beeld: Jan Bijl

Een man met een laptop schuift aan naast Teun. Ze fluisteren getallen. Uitkomsten van een recente conditietest. De woorden ‘melkzuur’ en ‘lang vasthouden’ komen een paar keer voorbij. Mijn blik drijft af naar Inkjet. Hij scheurt een zakje open en giet de poeder in een bidon water. Met een knipoog: ‘Zo, ga ik straks die slome Mulder weer even sprintles geven.’ Teun kijkt op van het beeldschermpje en schudt zijn hoofd: ‘In your dreams!’ Roy en Teun trainen dagelijks samen. Zowel op de baan als in het krachthonk naaien ze elkaar op. Hoeveel squats gaan er in één tiende? Zeker een veelvoud van alle ritjes van het Gelderse Zuuk naar Papendal, het gangetje van de parkeerplaats naar het smoezelige TL-verlichte krachthonk waar de Nederlandse baanselectie zich al jaren uitwoont. Rechts in de hoek, omgeven door spiegels, had ik Teun zien springen met een aan katrollen geketende halter op zijn schouders. Het aantal kilo’s liet zich lastig schatten. Honderd en tachtig was zijn record, vertelde hij. Zegt niets, zei hij meteen erna. Teun kende Britse sprinters die over de tweehonderd en twintig kilo squatten, maar niet sneller starten dan hij. Op Facebook circuleerde een foto van baansprinter Chris Hoy. Hij zou meer dan zeshonderd kilo wegdrukken op een legpress. ‘Wij zitten ook wel op vijfhonderd of zo.’

‘ Ik zit nu op 10,1 en dat moet 10,0 worden voor Londen. Dat is het doel. Een tiende eraf.’

Eén tiende. Waar ligt het verschil, waar overbrug je minder dan een zucht? Met een ander stuur en een paar millimeter diepere zit, een hoogtestage om sterker te worden, dernytrainingen op topsnelheid, tandwielen met een speciale coating waardoor de ketting een fractie minder wrijving ondervindt. Het moet perfect zijn, schone sokken, schone schoenen, mooie Oakley op de kop, gladde benen, vierdaags baardje. Alles moet glimmen. René Wolff is goed voor het laatste zetje, die praat de ruis uit het hoofd. ‘Wat het verschil maakt?’ vraagt Wolff. ‘Talent, het talent om te willen doorzetten. Dat maakt het verschil. Topsport is niets anders dan honderd procent geven, jaar in, jaar uit. Elke dag het maximale van jezelf verlangen. Bonnie Blair zei al: topsport is elke dag voor het maximale vechten en altijd in een betere morgen geloven.’ ‘Dus vooral niet relativeren waarmee je bezig bent?’ Wolff denkt even na en spreekt bedachtzaam: ‘Jezelf relativeren ten opzichte van anderen dat is niet goed, ten opzichte van jezelf is wel goed. Zo van vandaag ging het niet, wat kan ik doen dat het morgen beter gaat. Kijk, als je jezelf met jezelf kunt vergelijken en dat relativeert, dan kan je verder, dan kom je uit bij je eigen maximum. Ik kan het punt zijn dat hem tot zichzelf relativeert.’ Dat antwoord zou ik graag nog eens terugspoelen.

Ik kijk naar Teun en Roy, T-bone en Inkjet. Zij aan zij vermalen ze hun rondjes. De mecanicien had een kleiner voorblad gemonteerd, zodat de heren relaxed kunnen uitfietsen. René Wolff vouwt zijn laptop dicht. Ik tuur over het hout waar T-bone praat met Inkjet. Ik draai om mijn as om de renners te volgen. Wanneer ze vlakbij zijn vang ik onherleidbare flarden op van hun Newtoniaanse gesprek over gewichten en tijden. Een beetje daas richt ik me weer tot René. ‘Wat staat er eigenlijk op je armen?’ René draait de binnenkanten van zijn armen naar me toe. ‘Rilke,’ zegt hij, ‘Rainer Maria Rilke, ik heb het in het Japans laten vertalen.’ ‘Rilke? Wat zegt hij?’ ‘Dat je het leven niet hoeft te begrijpen om ervan te genieten.’ Een troostrijke gedachte.

Ik loop naar de rand van de baan en steek mijn hand op naar Teun. Hij zwaait terug. In een tiende van een seconde herken ik zijn droom. Tussen mijn wimpers door is het net alsof hij gewonnen heeft.

Gerelateerd bericht

The Digital Canyon Experience: Human After All

Here at Soigneur, we follow Canyon closely. We got in touch with the user-centered design specialist Laurens Boex, who is the owner of Rodesk, a ...